God op de bank

De schepping

Op maandag werd God om 7.00 uur wakker. Hij had er zin in. Het zou een belangrijke week worden, wist Hij. De Moeder Vader Aller Weken, zeg maar. De week waar het Allemaal mee zou beginnen. Maandag zou nog relatief eenvoudig zijn, maar naar mate de week zou vorderen, werd het werk zwaarder en complexer.

Tijd voor ontbijt was er die ochtend niet. Sterker nog, het ontbijt zelf was er nog niet eens. Snel aan het werk, dus. Hij bracht Zijn handen bij elkaar en vormde tussen de palmen een denkbeeldige bol. Hij concentreerde Zich, en scheidde het licht van de duisternis. Zo, dacht Hij tevreden, dat was dat. God knipte het lampje boven Zijn bed uit, en ging slapen.

Dinsdag werd God weer vroeg wakker. Vandaag stond het hemelgewelf op de agenda. In stilte verlangde Hij naar vrijdag, de dag dat Hij eindelijk iets kon eten. Al was er dan alleen nog maar vis of gevogelte en verlangde Hij meer naar een stevige biefstuk, een haring of kipfilet zou nu best smaken. Genoeg getreuzeld, Hij toog aan het werk. Hij bracht Zijn handen bij elkaar en vormde weer een denkbeeldige bol. Nu even flink concentreren, en hoppa, Hij schiep het hemelgewelf dat het water eronder van het water erboven scheidde. God nam een lange, hete douche, knipte het lampje boven Zijn bed uit, en ging weer slapen.

Woensdagochtend werd God wakker in de wetenschap dat vandaag een cruciale dag zou worden. Vandaag moest het water samenvloeien, maar moest Hij ook de zaadvormende planten en bomen laten ontkiemen. Eindelijk begon het allemaal ergens op te lijken. Na weer een lange, hete douche zeeg Hij in kleermakerszit neer op de hemelvloer, de handen gingen weer naar elkaar toe en in die voor Hem zo kenmerkende scheppingsstyle creëerde Hij het land en de zee, en liet alvast wat zaden ontkiemen. Handig voor vrijdag, hadden de vogels tegen die tijd ook iets te eten. God zwom snel nog even van Engeland naar Frankrijk – was Hij in ieder geval de eerste geweest die het Kanaal zwemmend overstak – en ging weer slapen.

Donderdag werd God chagrijnig wakker. Vandaag zou een echte kutdag worden. Geen zwaar werk ofzo, maar vandaag moesten de lichten aan het hemelgewelf, de zon, de maan en de sterren worden geschapen. Lichtjaren forenzen op een dag, dus. Hij had er een hekel aan om voor Zijn werk te reizen. Liever werkte Hij gewoon thuis. Maar het zou nog veertien miljard zesduizend jaar duren voordat telewerken een beetje in de mode kwam.

Ver na zonsondergang kwam God afgepeigerd weer thuis. De hete douche sloeg Hij ditmaal over, Hij ging straight to bed en sliep direct in.

Toen Hij vrijdag wakker werd, was Zijn slechte humeur als sneeuw voor de zon (Hij moest zelf ook wel grinniken om dit in deze week zo toepasselijke grapje) verdwenen. De douche sloeg Hij weer over, de penetrante transpiratiegeur die vanonder zijn oksels het heelal in wasemde negerend, en liet snel het water wemelen van de vissen. Daarna meteen door met het scheppen van de vogels. Trillen van de honger plukte Hij vervolgens een Pterodactylus duif uit de lucht en verslond die met huid en veren. Eindelijk eten, overdacht Hij voldaan en luid smakkend, terwijl het vet langs Zijn kin droop. En morgen zou het nog beter worden. Die avond nam Hij weer een lange hete douche voor het slapengaan, en met de gedachte aan het lekkere biefstukje dat Hij de volgende dag zou gaan klaarmaken viel Hij in slaap.

Zaterdagochtend werd Hij zelfs voor Zijn doen vroeg wakker. Half zeven centraal-intergalactische tijd, las Hij aan de stand van de miljarden zonnen af. Hij begon met een ontbijtje van blauwvintonijnsteak, kaviaar en dofijnfilet. Die mens die hij vandaag zou gaan scheppen, kon nu immers nog niet zeiken over bedreigde diersoorten, dus Hij moest het er maar van nemen. Na het ontbijt ging Hij aan het werk. ‘s Ochtends schiep Hij het vee, de wilde dieren en – oh gruwel – de kruipende dieren. Daarna plukte Hij een koe van het land, roosterde die boven een houtvuurtje, en deed vervolgens een klein dutje. Niemand die het zag, dacht Hij, gelukkig nog geen mens in de buurt.

Om 14.00 uur werd Hij weer wakker. Nu nog even de mens scheppen. Hij toog met Zijn badhanddoekje naar de rivier, waar Hij uit een handjevol klei een golem boetseerde die Hij Adam noemde. Toen Adam zijn ogen opendeed en zijn eerste hap verse lucht inademde, stak God snel Zijn hand in diens borstkas, brak een rib af en maakte daar Eva mee. Adam en Eva wandelden richting het paradijs, en God keek tevreden om Zich heen en zag dat het allemaal wel ok was. Hij mompelde iets van “gaat heen en wees talrijk”, en sleepte Zich doodvermoeid terug naar de Hemel. Uitgeput van deze zware werkweek viel Hij in in een diepe slaap.

Zondag werd hij weer vroeg wakker. Doodmoe keek hij naar de sterren, zag lammetjes dartelen op het land, een walvis kwam aan de oppervlakte van een van Zijn oceanen en spoot een enorme fontein omhoog, en God vond het wel welletjes. De zondag moest maar een rustdag zijn, besloot Hij. Hij was immers de baas. Hij sloot Zijn ogen en draaide zich nog lekker een keertje om.

Om drie uur werd Hij weer wakker. Hij roosterde wat varkensribben, perste twee kuub sinaasappels uit en nam plaats in Zijn fauteuil. Terwijl Hij Zijn spareribs afkluifde, overviel Hem het gevoel dat Hij iets vergeten was. Na het eten nam Hij weer een lange, hete douche, en toen Hij Zijn gebit met flosdraad ontdeed van de restanten van de spareribs, wist Hij het ineens weer. Eureka!

Hij vaardigde direct een decreet uit, waarin Hij verduidelijkte dat Hij wilde dat er binnen het kiesrecht een duidelijk onderscheid diende te worden gemaakt tussen mannen en vrouwen. Mannen hadden recht op zowel actief als passief kiesrecht, maar vrouwen moesten niet zomaar denken dat dat ook voor hen gold. Vrouwen mochten stemmen, ok. Maar zomaar zichzelf verkiesbaar stellen, dat ging natuurlijk niet. Dat was Zijn wil, en Zijn wil geschiedde. De duivel huisde in de Het ging misschien om details, maar toch. Als schepper kon je maar beter duidelijk zijn.

 

Eén reactie op “De schepping